leeservaringen

Pedro Páramo, Juan Rulforug

 

Sonja Pos,

docente proza op Schrijversvakschool 't Colofon, vond dit het beste boek dat ze ooit gelezen had. Niemand van ons kende het in 1992; het boek gold als geheimtip. Inmiddels heb ik het boek gelezen en her- en herlezen. Ik snap nog steeds niet wiewie is en wie leeft en wie dood is en in welke tijd we zitten, maar dat geeft niks. Elk hoofdstuk(je) is een soort flonkersteen die je apart kunt lezen en tegelijkertijd wil je doorlezen en doorlezen om althans te snappen wat er te snappen valt. Daar past geen oponthoud als slapen of zoiets in. Nee, eigenlijk moet je het boek in één ruk uitlezen. Dat heb ik gisteren weer eens gedaan en alweer ben ik kwijt hoe de hoofdpersoon - de ikfiguur - ook al weer heet en wie zijn moeder ook alweer is.

 

Pedro, ja, Pedro Páramo,

ja, de baas van Media Luna, de grootgrondbezitter, de potentaat, de man die het land van de buren inpikt, die de boekhouder niet betaalt, die een vrouw opdraagt om meisjes beschikbaar te hebben voor hem zodat hij alleen maar ergens een slaapkamer raam in hoeft te stappen, die juist moedergehoord heeft dat zijn zoon een man vermoord heeft en dat de vrouw ontroostbaar is en dat Fulgor iets met haar wil regelen maar dat wil ze niet en dat Pedro dan vraagt: Wie was het? Het zijn mensen die ik niet ken. Dan hoef je er niet over in te zitten. Die mensen bestaan niet. Maar diezelfde Pedro Páramo is op het einde van het boek zo ongelooflijk teder over zijn echte en laatste een gekke geliefde, Susana San Juan. Maar is zij gek? Ze stuurt zieleherder vader Rentería weg van haar sterfbed: 'Ga nu eens weg, vader. Maakt u zich niet bezorgd over mij. Ik voel me rustig en ik heb zo'n slaap.' Zij is net zo ongrijpbaar als Pedro Páramo zelf, die, als zijn rechterhand Fulgor Sedano hem waarschuwt voor 'de opstandelingen' zegt: breng ze hier, laat ze met mij eten en praten en verzamel intussen driehonderd mannen die hen kunnen helpen. Hij praat mee met de opstandelingen, die feitelijk ook niet goed weten waar ze tegen zijn dan tegen 'de machthebbers' enzovoort. Maar, leeft Pedro Páramo eigenlijk wel of speelt dit hele boek zich af in de 

 

wereld van de doden,

die vanuit hun graven met elkaar murmelen en praten en uitwisselen? De taal van Juan Rulfo. Ongelooflijk. Pedro Páramo hoort dat zijn zoon Miguel - nog veel ergere gemenerik en vrouwengek dan zijn vader - dood is, door eigen schuld gestorven, door zijn paard. Miguel wordt op een houten bed gelegd, de handen worden over zijn borst gevouwen en over zijn gezicht komt een zwarte lap. Pedro Páramo had geen enkele uitdrukking meer op zijn gezicht, hij leek te staren. Ver boven zijn lichamelijke aanwezigheid vlogen zijn gedachten achter elkaar aan, zonder elkaar te achterhalen of zich tot een verband te voegen. Taal. De lezentweetaal is zo schitterend in dit boek, nog even het begin van dit hoofdstuk over de dood van Miguel: Toen het dag werd vielen dikke regendruppels op de aarde. Ze maakten een dof geluid wanneer ze in het zachte, rulle stof van de voren vielen. Een spotvogel scheerde over de grond en krijste als een kind; iets verder liet hij zijn geluid weer horen en toen klonk het als een gekreun van vermoeidheid, en heel verweg, waar de horizon zijn eindeloze perspectieven ontvouwde, hikte en lachte hij, om daarna weer te vervallen tot zijn gekreun. (metafoor voor het hele boek zou ik zeggen). Fulgor Sedano rook de lucht van de natte grond en ging kijken hoe de regen de voren ontmaagdde. Einde van ditzelfde hoofdstuk: Hij kwam bij de schuren en voelde de lauwte van de maisvoorraad. Hij nam er een handvol van op om te zien of de korenworm er niet in gekomen was.... 

 

Samenvatting van het boek:

(uit: Uit de bek van de hel, Schrijvers in Latijns Amerika, H. ter Nedden, J. Iven): Het verhaal komt in 66 fragmenten tot ons via Juan Preciado, een van de talloze buitenechtelijke kinderen van de grootgrondbezitter en lokale potentaat Pedro Paramo. Juan komt naar het dorp Comala om in opdracht van zijn overleden moeder de oude 'cacique' rekenschap te vragen over zijn verstoting. Maar het dorp, waar hij met hulp van een ezeldrijver belandt, is niet het idyllische oord dat zijn moeder hem heeft afgeschilderd. Pedro Paramo is dood en tussen de kale heuvels ligt een door de zon vernietigd spookdorp, leeg, met vervallen, door onkruid overwoekerde huizen. Of zoals de ezeldrijver zegt: Dat dorp ligt in het stookgat der aarde, in de bek van de hel. Gaat u maar na, veel mensen die daar sterven en in de hel terechtkomen, komen hier terug om een deken te halen.' Van de schimmen die hier rondwaren, verneemt Juan geleidelijk aan wat zich hier rond Don Pedro heeft afgespeeld. Na verloop van tijd komt de lezer te weten dat ook Juan allang dood is en deels monologen houdt, spreekt met de vrouw in het graf naast hem of het gefluister van de andere doden weergeeft. Comal is een hel waarin de vroegere dorpsbewoners voortleven om eeuwig te boeten voor hun zonden

 

Juan Rulfo

- 1917 - 1986 - verloor zijn vader in 1928 en zijn moeder enkele jaren later. Hij kwam op 15-jarige leeftijd in Mexico City terecht om te studeren. Zelf zegt hij over deze tijd: Het hele bos van Chapultepec was mijn tuin. Daar kon ik in mijn eentje rondlopen en lezen. Ik kende niemand. De eenzaamheid was mijn titelbladgezelschap, ik sprak ermee en de avonden bracht ik door met mijn angsten en mijn geweten. 
In mei 1954 kocht ik een schoolschrift en maakte ik aantekeningen voor het eerste hoofdstuk van een roman die in de loop van vele jaren in mijn hoofd vorm had gekregen. Ik had eindelijk het gevoel dat ik de toon en de atmosfeer waarnaar ik zo had gezocht voor het boek waarover ik zolang had gedacht, had gevonden. Ik weet nog steeds niet waar de intuïtieve ideeën vandaan kwamen. Het boek werd slecht ontvangen ('lees eerst eens een roman', raadde een recensent hem aan), van de 2000 exemplaren werden er de eerste vier jaar maar 1000 verkocht, de rest gaf Rulfo weg. 30 jaar later (als hij bovenstaande cursieve zinnen als een nawoord schrijft bij Pedro Páramo) is hij vertaald in het Turks, in het Chinees, Grieks, Oekraïens, in 25 talen en oplagen van miljoenen. Rulfo: Het is niet mijn verdienste. Toen ik Pedro Páramo schreef, dacht ik er alleen maar aan hoe ik van een grote obsessie af kon komen. Want om te schrijven lijd je echt

 

Al die dagen

bleef het waaien. Het was dezelfde wind die de regen gebracht had. De regen was weg, maar de wind was gebleven. In de velden priemde de jonge mais haar blaadjes in de lucht en legde zich plat tussen de voren om bescherming te zoeken tegen de wind. Overdag woei hij met tussenpozen; dan rukte hij aan de dakpannen en de klimplanten en deed de dakspanten kraken; maar 's nachts kreunde hij, langgerekt. Een baldakijn van wolken schoof laag en geruisloos voorbij over de aarde. Susana San Juan hoort de harde rukwind aan het gesloten raam. Zij ligt in bed met haar handen onder haar hoofd gevouwen te denken en te luisteren naar de geluiden van de nacht; zij hoort hoe de nacht heen en weer geslingerd wordt door de geweldige stoten van de onrustige wind. Dan de plotselinge windstilte. (bladzijde 117)

 

Pedro Páramokorenworm

vind ik zo mooi, omdat het mij gelijk doet verdwijnen naar dat tussengebied 'onder' de oppervlakte en dat via heel gewone woorden als vlam, hart, bedroefd, Indianen, regende, maandag, louter geruis, boom, fonkelen, groene loten, bidden, hanen, aarde, trouwdatum, echo. Het is bemoedigend dat Rulfo deze wereld zo tot boek kan beitelen. Het geeft uitwegen voor taal, het geeft kracht voor een intuïtief beeld, het geeft stem aan waarachtigheid.
Ik doe er het zwijgen toe en ik verdwijn naar een richel van een dwarsbalk in het gebinte van mijn geboortehuis. De 'echterdeuren' staan open en laten de zon binnen die de aangestampte leem van putjes voorziet en van schaduwen. Het strostof dwarrelt en de koeienstallen zijn leeg want de dieren zijn alweer dag en nacht buiten; de koebakken zijn schoongeschrobd, de stalmuren gewit en geteerd, de leegte wacht....