leeservaringen

Het Daghet tussen de coulissen, Hans Mellendijktienien
columns 1996-2017, Uitgeverij Fagus

 

Wurg je wichtjes-bonus

oftewel Hans Mellendijk moest zijn darlings killen bij het samenstellen van dit boek dat uitgegeven is in de 350-reeks Achterhoek. Even denken, bestaat de Achterhoek 350 jaar? Heeft de Achterhoek niet altijd bestaan? Ja, als geografische plek natuurlijk al een eeuwigheid maar in 1686 gaf predikant/dichter Willem Sluiter 'deze' streek haar naam: Waer iemand duisent vreugden soek/ Mijn vreugt is in dees’ achter-hoek. Mooi dat iemand dit achterhaald heeft; mooi dat de bescheiden Achterhoek dit aangrijpt om zichzelf te vieren. Dat doet deze Achterhoekse van geboorte (Halle) deugd. Op de HBS Aalten zat ik een jaar in de klas met

 

Hans Mellendijk.

(zie de zwartwit foto hieronder, klasseavond 1965). Nee, ik keurde hem geen blik waardig, ik was met mijn vriendinnen rondom school aan het brevieren. Maar toen mijn vér-van-de-Achterhoek-se-leven weer in rustiger vaarwater kwam, kruisten de paden van Hans en mij elkaar. Ik ging mee Middewinterstappen, ik ging mee naar 'nDrom en tja, hoe zal ik het zeggen, om Hans Mellendijk kon mijn blik niet meer heen. We hebben samen prettig aan mijn dichtbundel Aodem gewerkt en nu ligt hier de bundel columns van Hans Mellendijk, Het Daghet tussen de coulissen. Als ik me altijd al afgevraagd had: wat döt zo'n ondög in hemelsnaam in Varsseveld, dan begint me dit langzamerhand te dagen. Het Daghet mi-j. De

 

coulissenklasseavond

is een prachtig woord in de titel. De Achterhoek als letterlijk coulissenlandschap, maar vooral in dit verband: Hans zet de Achterhoek tussen de toneelgordijnen. En als Hans Mellendijk dit doet dan geeft dit een ander dan gemiddeld spektakel, een ondög spektakel. De columnist is en blijft de middelbare scholier die tegen vader en moeder zei dat hij huiswerk ging maken bij een vriend op de Heelweg, maar die kats de andere kant op fietste, namelijk naar Sporthal De Paasberg en daar Ier Van Morrison hoorde en The Blizzards. De rillingen lopen nu nog over mijn rug, met terugwerkende kracht, zo heet het in zijn column.  Als Hans de opnames Skiffle Sessions terughoort in 2000 - potwortel heeft geloof ik de singles-koffer omgekieperd - vallen tranen op het tapijt.
It's just a hard road, dead or alive, zingt Van Morrison. Dit schiet niet op met deze leeservaring. Het Daghet  zet mij aan tot opnieuw beluisteren van - eveneens mijn - oude favoriete zanger.
Hier een nieuwer nummer, Sometimes we cry. Nou ja, waarom niet, zo kan ik ook deze leeservaring schrijven; alle nummers opzoeken die in het boek voorkomen. Dat zijn er heel veel. Muziek is een constante. Muziek is misschien wel de chaotische onderstroom in de colums waarin de alinea's soms van de hak op de tak springen. Nog een soortement ballade van Van Morrison over de regen, over het water, over alles wat je raakt tot diep in de ziel (1969). Geen idee of de columnist dit nummer ook al hoorde in Terborg, who knows. Dit nummer is zo 'wijsvast' en ritmisch gezongen, het is zo schijnbaar eenvoudig maar het bracht de generatie van columnist en ook van mijzelf in een bewustzijn dat - voorzichtig gezegd - een breekpunt was met wat ons aangeleerd was. Een soort 'vrijheidvanniets', 'vrijheidomniets'. Waarom ik ook dit nummer nog laat horen en uitschrijf: omdat dit levensgevoel mijns inziens een onderstroom is in de bundel Het Daghet tussen de coulissen. Maar misschien geef ik nu deze tijdsgeest teveel eer en zit ik gewoon zelf graag te luisteren/treuzelen.

Half a mile from the county fair And the rain came pourin' down Me and Billy standin' there With a silver half a crown Hands are full of a fishin' rod And the tackle on our backs We just stood there gettin' wet With our backs against the fence Oh, the water Oh, the water Oh, the water Hope it don't rain all day And it stoned me to my soul Stoned me just like Jelly Roll And it stoned me And it stoned me to my soul Stoned me just like goin' home And it stoned me Then the rain let up and the sun came up And we were gettin' dry Almost let a pick-up truck nearly pass us by So we jumped right in and the driver grinned And he dropped us up the road Yeah, we looked at the swim and we jumped right in Not to mention fishing poles Oh, the water Oh, the water Oh, the water Let it run all over me And it stoned me to my soul Stoned me just like Jelly Roll And it stoned me And it stoned me to my soul Stoned me just like goin' home And it stoned me On the way back home we sang a song But our throats were getting dry Then we saw the man from across the road With the sunshine in his eyes Well he lived all alone in his own little home With a great big gallon jar leest voorThere were bottles too, one for me and you And he said Hey! There you are Oh, the water Oh, the water Oh, the water Get it myself from the mountain stream And it stoned me to my soul Stoned me just like Jelly Roll And it stoned me And it stoned me to my soul Stoned me just like goin' home And it stoned me And it stoned me to my soul Stoned me just like Jelly Roll And it stoned me And it stoned me to my soul Stoned me just like goin' home And it stoned me. 
(Overigens, dit nummer heeft niets met onze associatie bij 'stoned' te maken. Biograaf Ritchie Yorke zegt: the song remembered "how it was when you were a kid and just got stoned from nature and you didn't need anything else") Maar enfin, terug naar Het Daghet tussen de coulissen.

 

Achterhoek

Hoe ordelijk het erbij ligt. Hoogspanningslijnen. Maïsvelden die de blikken tegenhouden. Het geraas van de oogstmachines. De stoppelvelden waar plaats is voor de crossmotoren. En dan de lege novemberstorm. Prachtig gedicht op bladzijde 5. Mild en wel mogen de denderende oogstmachines meedoen in het coulissenlandschap. Het is de 'vooruitgang' die in onze generatie als een niet te stuiten locomotief door het leven is gegaan; een vooruitgang waarover ikzelf - generatiegenoot van Hans dus - tamelijk schuldig over voel, we stonden erbij en we keken ernaar en ineens was het slootwater niet meer te drinken. En dan klinkt de laatste zin van het gedicht: Ja, laat nu de novemberstorm maar komen. De leegte. Het onmateriële. Het onzinnige van schuldgevoel. Het kleinmenselijke waar niemand van uitgesloten is. Ja, laat nu de novemberstorm maar komen.

 

Wezenoverhandigen

is de titel van de eerste column. Allerlei nieuws in zijn dagblad de Graafschapbode waardoor de columnist zich laat afleiden maar uiteindelijk vindt hij wat hij over het hoofd had gezien: de twee rouwadvertenties. Het vlees is woord geworden. Moeder Leida is dood. Hans en de zussen zijn wezen. 6 december 1997. We knallen gelijk door naar nieuwjaarwinnen; de kruitsleutels zie ik gelijk weer voor me, ik ruik zo ongeveer het kruit. (alleen de jongens hadden kruitsleutels en klappertjespistolen trouwens). Ineens zijn we trouwens weer een maand terug, bij Sinterklaas. Hans en lief zingen hard mee op hun Amsterdamse balkon, sinterklaas en zwarte piet kijken omhoog en de columnist krijgt tranen in de ogen. (veel tranen in de columns, heel goed Hans, dit boek is een prima rolmodel voor al te stoere mannen). Ineens zijn we een half jaar verder en lezen we hoe Hans in de Amsterdamse supermarkt nog snel Belgische bonbons koopt voor schoonmoederdag en bij de kassa vóór een 'in campingsmoking gestoken jogger met een te gebruind hoofd' staat te stuntelen bij het pinapparaat. De pas van de columnist blijkt verlopen. In de consternatie die volgt (ze hadden allang in de auto moeten zitten richting Achterhoek maar gelukkig heeft lief ook nog een pasje en krijgt de columnist in ruil voor vier zoenen haar pincode en kan hij flappen uit de muur trekken) zitten ze eindelijk in de auto en... zijn de Belgische bonbons vergeten. Prachtige column.

 

Willem Sluiter 

was dus de eerste die dichtte over de achterhoek, waarmee hij de landstreek tussen Neede en Winterswijk bedoelde, of volgens sommigen, gewoon zijn open haard. Twee eeuwen later pas werd het gebied ten oosten van de IJssel en ten noorden van de Oude IJssel Achterhoek genoemd. In de jaren zeventig veranderden de 'captains of industry' Achterhoek in Oost-Gelderland maar gelukkig is deze dwaling weer vergeven en vergeten en zijn we gewoon Achterhoekers. 

 

Staatsiefoto

ter ere van het 25 jarig huwelijk van de ouders van de columnist. Moest hij stropdas om en eerst naar de kapper? Vast wel, want de columnist staat op de foto als een boer met kiespijn, zo lezen we op bladzijde 63. Dan een prachtige ode aan de vader, die nog een kelder kon graven, een garage kon metselen, een soldeerbout op de radio zette en je had weer Luxemburg. Ja, deze vader hoort thuis in de Achterhoekse canon. Prachtig, deze schets van het pre-industriële leven van ons toen we nog klein waren. 

 

Kerstfeest,

ook alweer zo'n feest dat helemaal veramerikaanst. Geen feest dat energieverspilling hoger in het vaandel heeft. Haha, de columnist sluit zichzelf niet buiten. Ook hij spoedt zich in een zo onecht mogelijke wereld naar het einde toe. Slingers met engelenhaar guirlanderen door de kamer, smakeloze kerstmuziek klinkt. Het einde van deze column is oprecht en sarcastisch: ja, laten we zwelgen in de plastic kerstbomen, de kunstsneeuw, de nepchampagne en namaaksterren, om in 2012 onthecht en keihard te landen in de werkelijkheid van een nieuwe recessie. Hans Mellendijk is zowel de buitenstaander als één van ons en dat maakt de columns prettig te lezen. Hier is geen linkse drammer aan het woord, maar evenmin een gezapig burgermannetje.

 

Topzinnen

(over iemand die de mond vol heeft van BV Nederland): Als je het dan helemaal niks vindt, maak er dan gekscherend een opmerking over in plaats van direct alles maar te willen verbieden omdat je het niet begrijpt. ... Gêne overviel me vanwege starre blindheid, want dat is het. (Ja, dit hoort een columnist te zeggen.)
De bevrijding van het fascistische juk staat nog steeds in de grondverf. (Ja, dit hoort een columnist te zeggen.)
(over het muziektententerrein) Weemoedig kijk ik naar de foto's van het eerste uur. Dennen waren we - maar ondernemende dennen al zeg ik 't zelf.... Amateur naast professional, dit alles tot wederzijds voordeel
Tien jaar en geluk was nog heel gewoon. Alle kinderen uit de buurt kijken tv bij het gastvrije gezin van het Shell-tankstation.
...me terug doet verlangen naar een zinderend tuinfeest op Sinderen. Waar, uit verstopte luidsprekers, overal de zee te horen was.
(vanaf een uitkijkpunt Belvédère): Ergens daartussen traceren we ons geboortedorp. (a, dat doet iedereen heb ik erbij geschreven). 
(opnieuw beeldenroute park Sonsbeek, om opnieuw de plaats te bepalen; een vernield kunstwerk moet dan ook verder maar gestenigd worden en het hart van de columnist versteent; en dan thuisgekomen de catastrofe van de Twin Towers): In ongeloof blijf ik met een wederom versteend hart de hele avond verbijsterd aan de treurbuis gekluisterd. Langzaam maar zeker vormt zich het inzicht dat het uitzicht op een verdraagzamere wereld rampzalig is gesloopt. Persoonlijk, ons meenemend, afstandelijk, zo hoort een columnist te zijn. 


Wild gras

is een prachtig verslag van de Wissche beeldende kunstcommissie die tezamen komt bij een net gerealiseerde megarotonde, aan de rand van het dorp Varsseveld. De commissie bestaat uit onze columnist en een collega-commissielid die er ook voor doorgeleerd heeft. Een provinciale wegenverzorger wil hun de toegang verbieden, maar ontdooit bij het horen van zoiets als 'Dansend vierkant' (blauw kunsttwerk langs de Pleyroute). Tja, wat moet het worden? Welk beeld voegt zich naar de plek en vertelt daarnaast iets over de verandering van boerenland naar industrieterrein? Het wordt Wild Gras.Vandaag -22 februari 2003 - om twaalf uur begint de onthulling. De muziekkorpsen Concordia en Jubal vormen een draaiend rad..... 

 

Lalala van Du tot Da Da Da.dertien

In deze column betoont Mellendijk zich een waardig opvolger van Sluiter. Voordat de Beatles de wereld veroverden, werden op de Nederlandse televisie begin jaren zestig Duitse operettes vertoond, Gitte en Rex Gildo verschenen op kauwgumplaatjes. (Rex Gildo? Zie hier de prachtige documentaire die Hans Heijnen over deze schlagerkoning maakte). De boerenrock in de Achterhoek is zowel door Angelsaksische rhytm & blues als door de Duitse hoempa & schlagercultuur beïnvloed. Nederland is - aldus vinylridder Vic van de Reijt in een boekwerkje bij de verzamel c.d. Van Du tot Da Da Da - verdeeld in twee verticale helften die niets van elkaar begrijpen. De mensen rechts daarvan hebben fanfarekorpsen, doen aan klootschieten enzovoort oftewel kijken al meer dan veertig jaar naar de Duitse televisie. Die heeft hun cultuur mede bepaald. Maar dan de mensen ten westen van die lijn, de westerlingen. Die vinden de 'oosterlingen' maar boeren. En die zijn dol op de Engelse taal en vooral op de Amerikaanse variant daarvan. Columnist Hans Mellendijk: Altijd al wel gedacht. Na de bevrijding werden onze zielen bezet door de Amerikaanse cultuur.....Maar gelukkig, de kentering zet in

 

Nee,naar huis

eigenlijk heb ik niks te näölen over deze bundel columns behalve dat ik de draad soms geheel kwijt was; in de eerste is potwortel nog met konijn naar de keuring en verderop in het boek moet hij nog geboren worden. Dat komt doordat de columns in thema's gerangschikt zijn. Had van mij niet gehoeven. Gewoon van voor naar achteren. Dat de columnist artistiek, politiek, tegendraads, mild, gevoelig, stellig en nog veel meer kan schrijven over engelenhaar en verstoorders van de twee minuten stilte en Radstake en Sonsbeek oftewel dat hij van alle thema's thuis is, daar ben je na een paar columns al wel achter.
Het hakketakkerige binnen elke column stoorde me in het begin, maar verdween elke keer op slag als ik weer geraakt was door enkele zinnen. Ja. Intrigerend om een selectie te lezen van ruim twintig jaren columns van Hans Mellendijk. Zij zijn persoonlijk EN ze geven een buitenstaandersblik. De insider én de outsider ineen. Knap wark, columnist.