zakelijk

Superrijk in de lage landen, Jos van Hezewijk met medewerking van Marcel Metze

 

1000 jaaromslag jos

Je zou het niet zeggen aan de titel, maar dit boek gaat over moerassen en aflaten en graanhandel en mooie stoffen en Reformatie en kruistochten en Pruisen en China en koetsen en schepen. De rode draad is weliswaar Superrijken in de lage landen, maar tegelijk beschrijft het boek in 454 bladzijden een veel uitgebreidere geschiedenis.
Je moet er wel tegen kunnen dat je het ene moment in de 12de eeuw zit en het volgende moment bij John de Mol. Het boek is niet chronologisch opgebouwd, maar aan de hand van thema's. Alles overlapt elkaar, grijpt in elkaar, wat mij betreft: het past wel bij mijn geest die zich ook niet chronologisch tot de werkelijkheid verhoudt. 

 

Verbazing.

Wat mij betreft is het boek een soort constante verbazing: hoe organiseren wij onze samenleving. Waarom kiezen wij ervoor om onze gemeenschappen zo te organiseren zoals wij dat doen, dat bijvoorbeeld enkelen heel veel geld hebben, de meesten heel weinig en een aantal ergens daar tussenin? Waarom worden die niet-bezitters niet woest en halen het geld gewoon op bij degene die veel heeft?

Hè? Nooit bij stilgestaan.

Er was een tijd dat er geen banken bestonden, Eh, hoe deden mensen dan toen boodschappen?

Hoe dat fabriekscomplex bij Seraing, langs de Maas ontstaan is, (wie is er nooit langsgereden?) Wel, dit is de geschiedenis. De vroege industrialisatie begon in Engeland, eind achttiende eeuw,  dankzij de uitvinding en perfectionering van de stoommachine en andere, daarmee aangedreven machines, dankzij de ontwikkeling van halfautomatische weefgetouwen, de inzet van cokes in de staalproductie enzovoort. Ene William Cockerill streek neer in Verviers, werd gevraagd door de Belg Iwan Simonis om diens textielfabriek te moderniseren. In 1807 in Luik begon Cockerill voor zichzelf een textielfabriek, waarvoor hij zelf de machines bouwde. En later begon hij bij Seraing een hoogoven, staalfabriek en later ijzergieterijen en machinefabrieken, die uitgroeiden tot een fabriekscomplex van 5 kilometer langs de oevers van de Maas. Hoe dan ook: door de Engelsman Cockerill werd België het eerste geïndustrialiseerde land van continentaal Europa.

Het hele weefsel van samenleven, die hele drang van 'vooruit vooruit vooruit,' ook alweer zoiets verbazingwekkends. Over gelukkig of ongelukkig zegt rijkdom niets, 'gelukkig'.  We vergelijken onze situatie vooral met die van onze omgeving, netwerk of klasse, zo lezen we op bladzijde 28. 

 

Hoofdstuk 1, De natuur als bron van rijkdom.

Mooi hoofdstuk. De Romeinen wisten dat je moerassige veenlagen - die feitelijk bestaan uit dikke lagen afgestorven planten - kunt afgraven en de gedroogde plaggen (turf) als brandstof kunt gebruiken. Engeland en Frankrijk beginnen hiermee, in de late Middeleeuwen wij (Vlaanderen, West-Brabant en Holland) wij ook. Hier wordt Willem 'Snikkerieme' van Duvenvoirde rijk mee. Later - in de zestiende eeuw - komen de hoger gelegen veengebieden in Drenthe en Groningen op gang. Eerst moeten daar kanalen gegraven worden om de turf af te voeren; hiertoe richten kapitaalkrachtige mensen compagniën op zoals de Ommelander Compagnie bij Groningen en genieten uiteraard mee van de opbrengsten, zoals de familie Coymans. Persoonlijk zie ik nu de 'Veenkoloniën' voor me en Van Gogh en Het Pauperparadijs en de Groningse zwarte roggebroden van bakker Meijer in Hoogezand, roggebroden die lijken op de smalle kaarsrechte stroken aarde van het oude veenkoloniale landschap. Maar ho, terug naar het boek. Holland is ontdaan van haar laagveen, maar dan (bladzijde 43): 'Turfwinning had één nadeel: een groot deel van Holland kwam onder water te staan. ' Men sloeg aan het draineren en bemalen om het water weg te werken, maar het veen klonk in, dus dat graan dat in dat nieuwe polderland verbouwd had moeten worden voor de toenemende bevolking in de loop van de veertiende eeuw, moest dus geïmporteerd worden. (Ik let extra op op want brood en graan zijn mijn specialiteiten). Wij importeren eerst tarwe uit Frankrijk, maar toen ook daar de bevolking groeide hadden ze geen graan mee over. Begin vijftiende eeuw haalden we het graan uit de landen rond de Oostzee. Tot dan werden alleen luxe goederen via een netwerk van Hanzesteden verscheept, en haalden wij hout daar vandaan; nu slaagden wij Hollanders er in om grootschalig vervoer van graan mogelijk te maken. 'Het bulkvervoer zal Nederland nooit meer verlaten.'

 

Na turf kwam steenkool,

dat zes keer zoveel energie bevat. 'Een goede oplossing voor het energieprobleem dus.' Ondiepe mijnbouw bestond allang, maar pas vanaf de achttiende eeuw - toen er stoommachines waren die zorgden voor luchtverversing en voor het wegpompen van grondwater - ging de mijnbouw de diepte in. Begin 1800 in Engeland, daarna in België tussen 1810 en 1830, waarbij de families Velge en Bekaert de kolen inzette voor staalproductie en staaldraad produceerden en hier rijk mee werden (hoe omheinden de boeren tot die tijd hun weilanden dan?) en rond 1850 begint de mijnbouw in Nederland. Het sluiten van de mijnen heb ik in eigen leven meegemaakt (vanuit de krant) en als ik al dacht dat die mijnen 'daar altijd waren', nee dus. Dit boek drukt je constant op het weefsel van de tijd;  fascinerend. Terug naar Superrijk in de lage landen: tot de eerste wereldoorlog importeerden we ook nog veel steenkool, uit Duitsland en Engeland en België. Hier duiken de families Van Beuningen en Fentener van Vlissingen op. Ze richtten de Steenkolen Handels-Vereniging op. Na WO I werd aardolie een belangrijke energiebron. De SHV kocht een keten van benzinestations en investeerde in ontwikkeling en productie van olie en gas. (O ja, de schaarse auto's van mijn kindertijd en de overdaad van 1-2 auto's per huishouden nu). Wacht even. Turf. Steenkool. Olie. Olievondst op Sumatra, 'onze kolonie'. We zijn dus nu aangeland bij het koloniale tijdperk; 1602 oprichting van de VOC en in snel tempo vestiging van nederzettingen in de Indonesische Archipel en elders. Oprichting van de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij die zich bezighield met de 'productie van lampenolie en smeerolie in Azië, vanaf begin twintigste eeuw uitgebreid met motorbrandstoffen en later met petrochemische producten.' Tegenwoordig spreken we van de Royal Dutch Shell. Wellicht is de familie Oranje-Nassau hier ook rijk mee geworden, maar het boek houdt een slag om de arm (gebeurt niet vaak). In elk geval zijn de families Deterding en Van Leer Shell-rijken geworden. In België heeft koning Leopold II kapitaal vergaard - middels een schrikbewind - in het huidige Congo. 'Wij' startten in 1675 de West-Indische Compagnie en vestigden koloniën op de Antillen en in Guyana, handelden in goud, ivoor en suiker. Kernactiviteit van deze WIC was de handel in slaven vanuit West-Afrika naar Curaçao, Suriname en Noord-Amerika. 'Tussen 1675 en 1740 heeft deze tweede WIC enkele honderdduizenden slaven verhandeld, wat bij een gemiddelde prijs van tweehonderd gulden neerkomt op een omzet van rond veertig miljoen gulden, of thans vierhonderd miljoen euro.'

 

Terug naar Holland.

Eerst verdienen aan exploitatie, dan aan reparatie van de schade als gevolg van die exploitatie, bladzijde 52. 'Als er één constante is aan de grondstoffenwinning door de eeuwen heen, dan is het wel dat de nadelen van grootschalige productie betrekkelijk snel zichtbaar worden en lang worden getolereerd. Als ze uiteindelijk té groot worden blijkt ook aan het wegwerken ervan nog leuk te verdienen.' De turfwinning leidde tot bodemdaling en onbruikbare moerassen. Sommige kloosters begonnen met landontginning door bedijking en droogmaking (Sint-Bernardusklooster in Groningen, Onze-Lieve-Vrouw Ter Duinen in Vlaanderen). Maar er was teveel water, de waterpartijen besloegen een derde van de kustprovincies. Zo ontstonden Brugge, Antwerpen en Amsterdam als belangrijke havensteden. Maar stormvloeden, afkalving en verzilting van de grond waren ook heel nadelig. Zo begon men via windmolens plassen droog te malen. Vanaf de zeventiende eeuw zijn zo de Beemster, Bijlmermeer en Watergraafsmeer drooggemalen. Hier werden uiteraard ook weer families rijk mee. Poppen in de Beemster, Hoeufft met droogmakerijen en polderaanleg in Frankrijk enzovoort. Graan groeide niet goed in de nieuwe polders. Het was alleen maar geschikt voor beweiding, dus voor het houden van koeien dus uiteindelijk - zevenmijlslaarzen, dat wel - mestoverschotten en melkplassen. Bovendien: een soort voortdurende inklinking zodat gebouwen verzakten (evenals nu in Groningen ten gevolge van de gaswinning) oftewel in de lijn van van Hezewijk en Metze: welke oplossingen gaan er komen voor de eindigheid van minerale grondstoffen enerzijds en voor de milieugevolgen van industrie en industriële landbouw en wie gaan daar weer aan verdienen? 

 

Kloosterorden bezaten ook veel land.

Kloosters bestaan vanaf de zesde eeuw. Benedictus stichtte een kloostergemeenschap op de Monte Cassino. Naast de benedictijnen ontstonden veel meer orden en congregaties. Kloosters waren zowel plaatsen van bezinning, alsook fungeerden ze als semioverheden. Ik zou nooit vermoed hebben dat de meeste en grootste kloosters te vinden waren in de huidige provincies Groningen en Friesland, het Sint Bernardusklooster van Aduard, gesticht in 1192, telde meer dan 50 gebouwen en bezat zo'n 5500 hectare aan grond in Groningen en uitgestrekte venen en bossen in Drenthe. Het haalde zijn inkomsten uit landontginning, bedijking, landbouw, bosbouw, visserij, steenbakkerij en handel. Het had een eigen vloot. De abt stond aan het hoofd van lokale waterschappen en deed dienst als rechter. Na de Reformatie - waarbij Groningen en Friesland overgingen op het calvinisme - werden kloosters opgeheven enzovoort. Enfijn, zo lees je het boek door.
Al met al legt de rode draad van van Hezewijk en Metze veel meer bloot dan enkel de superrijkdom van een paar mensen. De brede achtergrond van de auteurs - de ene is psycholoog/historicus, de ander sociaal geograaf - is duidelijk aanwezig. Dit hele weefsel, waaruit zij de rode draad destilleren, maakt het boek voor mij razend interessant.

 

2. Rijk worden aan bevolkingsgroei en verstedelijking.

- in 1830 worden de Nederlanden opgesplitst in Nederland en België.

- de industriële revolutie heeft belang bij verstedelijking, namelijk omdat arbeidsmarkt en consumptiemarkt dicht bij elkaar liggen (en de rijken 'tal van mogelijkheden krijgen om een deel van de bijbehorende kapitaalstromen af te romen'.)

- helder beeld over het verband tussen de ridderorden en de kruistochten tegen de moslims in Palestina in de twaalfde en de dertiende eeuw. De belangrijkste orden waren de Orde van Sint-Jan (johannieters, hospitaalridders, Maltezer Ridders) en de Orde van de Tempeliers. Wie op Heilige Oorlog tegen de islam ging kon a. zijn energie kwijt, b.kreeg bij voorbaat toegang tot het hiernamaals van de paus, want hij gaf een algeheel pardon (absolutie) al vermoordde je islamieten en nam je hun bezittingen in beslag. 

- helder portret van Johann von Bodeck, rijke lutherse bankier die in 1572 aan een bloedbad tegen protestanten in Parijs ontsnapte en in Antwerpen terechtkwam, trouwde en de bloeiende handel in bankwissels van zijn Antwerpse schoonvader overnam, die ook weer uit Antwerpen vertrekt om de katholieke Spanjaarden te ontvluchten, zich eerst vestigt in Lübeck en een jaar later - in 1585 - in Frankfurt am Main. Met Duitsland bestaan al meer handelsrelaties dan met Noord-Nederland, vandaar dat rijke Antwerpenaren die de Spanjaarden ontvluchten, naar Duitsland gaan, tesamen met hun rijkdommen en handelsnetwerken. Frankfurt profiteerde sterk van de komst van rijke Antwerpenaren; begin zeventiende eeuw was de helft van de rijke Frankfurters afkomstig uit Vlaanderen. Von Bodeck was snel de rijkste bankier van de stad, beheerste begin zeventiende eeuw de handel in bankwissels tussen Antwerpen, Amsterdam, Hamburg, Frankfurt en Venetië en wordt beschouwd als de grondlegger van de Frankfurtse beurs. Enfijn, enzovoort. 

- industrialisatie van Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw met buitenlandse ondernemers die zich in Nederland vestigden. Van Heek, Stork en Blijdenstein in Twente. Regout in Limburg en de families Van den Bergh, Jurgens en Zwanenberg in Noord-Brabant, lees Oss (wie gaat de historische roman over Oss of all places schrijven?). 

 

Hoofdstukken in telegramstijl want anders wordt deze leeservaring veel te lang.rijkgeworden

3. Immigratie  4. Geopolitieke macht als raamwerk voor rijkdom, wat overigens op het einde van het hoofdstuk weer slechts 'een' dimensie blijkt te zijn; de basis van superrijkdom ligt toch vooral in een groot, machtig en rijk (eigen) land (bladzijde 155),  met een portret van een voorouder Nolet, die ooit vanwege de graanhandel in Rusland was, daar kruidenmengsels meenam, die Carel weer kon gebruiken voor de wodkasoort voor Amerika  'Ketel One'. Aangezien Amerikanen 'alles wat ouder is dan honderd jaar bewonderen' en Carel in de advertenties de nadruk legde op de eeuwenoude stooktradities van de Nolet(s jenevers), werd Ketel One zeer succesvol. (Wie schrijft de roman over Carel Nolet en Ketel One). 5. Metropolen, een hoofdstuk dat onder andere aanneemt dat Nederland  en België eigenlijk functioneren als metropolen. Aanname of feit? Mooie portetten van Brenninkmeijer (Clemens en August richten in Sneek in 1841 C. & A. op, begonnen als opslagplaats voor stoffen zodat die niet steeds van Mettingen naar Friesland gesleept hoefden te worden en twintig jaar later omgebouwd tot de eerste C.& A. Ook een prachtig portret van de Dominicanen en jezuïeten die hun gemeenschap in steden hadden. 6. Innovatie en transport als routes naar rijkdom met als einde (bladzijde 221) wederom enige relativering dat niet de transporteurs zelf, maar de eigenaren van de goederen en handelaren de grootverdieners aan het transport zijn en - tweede opmerking, dat we ons af kunnen vragen of al dat transport dat met wederuitvoer en doorvoer gepaard gaat, maatschappelijk en economisch op den duur wel zo aantrekkelijk is, mede vanwege het milieuprijskaartje. Hiermee zijn we weer middenin het nu - Corona 2020.  7. Rijkdom in de driehoek markt, media en ideologie. Prachtig beeld van de Familie Pon, begonnen in 1895 met Mijndert Pon die de winkel in huishoudelijke artikelen van zijn ouders uitbreidt met naaimachines en fietsen, en vanaf 1920 ook met auto's. Ze importeerden o.a. de Volkswagen Kever en later het 'hippiebusje'. 8. De helpende hand van fiscus en staat. Aha, in de twaalfde eeuw is er vanuit Genua en Florence een type bank ontstaan dat deposito's aannam, op basis daarvan geld uitleende en valuta wisselde. Elke fiscalist moet dit hoofdstuk even lezen. 9. De rijken worden rijker en de ongelijkheid wordt groter. Predikantzoon Willem Scholten begint vanaf 1860 met  aardappelmeelfabriken in de Groningse veenkoloniën, de aardappelen kunnen via de 'turfkanalen' naar de fabriek vervoerd worden, enfijn, Willem betaalt zijn werknemers weinig, maar ter ere van zijn zeventigse verjaardag krijgen ze toch allemaal een salarisverhoging van 1 cent per uur. Een zinnetje als 'De basis van ongelijkheid is natuurlijk macht', hoezo 'natuurlijk'? Daarvoor moeten we maar andere boeken lezen. Mooi portret van de Bunge's waarvan de Nederlandse tak begint met - wederom domineeszoon - Johann Peter Bunge die in 1818 in Amsterdam Bunge & Co opricht, handelhuis in huiden en koloniale waren. Schepen, Antwerpen, Argentinië, graantransport, graanteelt en nu een holding als Bunge Limited. 5 conglomeraten bekleden een dominante positie op de wereldgraanmarkt: Bunge, Cargill, Continental, Dreyfus en André. Hiermee raakt het boek aan ontwikkelingen waarvan je nooit weet wat kip en wat ei is, maar waarvan de gevolgen zijn dat 'arme' landen hun eigen gewassen niet meer telen, maar afhankelijk zijn geworden/gemaakt van/door 'witbrood' van geïmporteerde tarwe; iets waarover ikzelf mij het hoofd weer kan breken. 10. Hoe de rijken komen en gaan.  11. Netwerken van rijkdom, ideologie en staat. Opkomst van de academici: in 2010 was de bedrijfselite veranderd van een elite op basis van afkomst naar een elite op basis van universitaire opleiding. Zeer interessant zijn de bladzijden 386 en 387: Eerste Kamer waarin de koning de leden - adel en rijken - benoemde voor het leven. Dit verviel in 1848. Er moest een machtiger parlement komen. Kiesrecht kreeg iedere mannelijke burger die belasting betaalde (in 1850 4% van de bevolking, in 1900 was dit 16%). In 1917 werd het algemene kiesrecht ingevoerd (voor mannen), maar gelukkig kregen in 1922 ook vrouwen kiesrecht. Schitterend portret van de - ondanks zichzelf - uiteindelijk Paus geworden Adrianus VI (1495-1523). Wederom: welke literator gaat een roman schrijven over deze verlichte priester, hoogleraar filosofie en theologie aan de universiteit van Leuven. 

 

Het laatste hoofdstuk 12 De superrijken en hun psychopatische trekjesschrijvers

is niet mijn favoriete hoofdstuk. Het lijstje van positieve en negatieve 'psychopatische' eigenschappen werkt op mij net zoals vroeger het boek 'Kleine psychiatrie' van Van den Berg dat verplichte kost was op de Sociale Academie: bij elke eigenschap dacht ik: mmm, ja, daar heb ik wel iets van. Zo ook bij de afwerking van dit lijstje. In de kantlijn staat geregeld: bij wie niet, kan toch en en, desondanks in plaats van het gevolg van, netjes toch, succesvol toch, tamelijk normaal, obsessief of gewoon strak georganiseerd. Het mooiste grafschrift van een rijk mens, namelijk van Isaac le Maire luidt: Hier ligt begraven sr. Isaac le Maire, koopman die ... zo rijkelijk gezegend is geweest dat hij in dertig jaren tijd (behoudens eer) verloren heeft over 1.500.000 guldens. Het boek zegt dat hij misschien de meest obsessieve rijke Nederlander aller tijden was, deze investeerder Isaac le Maire (1558/59-1624). Obsessief misschien, maar dan toch wel gezegend met humor.

De schrijvers relativeren ook in dit hoofdstuk alle voorgaande punten door het eindkopje van dit hoofdstuk Een ondergrond van onzekerheid. 'De gedrevenheid van de 'miljardairs' kan overigens wel een diepere achtergrond hebben. Niet alle rijken en superrijken hebben evenveel zelfvertrouwen. Sommige van hen worden juist gedreven door het tegendeel, en zijn voortdurend bezig hun onzekerheid en minderwaardigheidscomplex te bevechten - en worden al doende rijk.'

 

Jos van Hezewijk heeft met medewerking van Marcel Metze een mooi boek geschreven. Het lezen leverde mij  zeer vaak een 'Aha-Erlebnis' op. Niets is zo vanzelfsprekend als het lijkt. We zijn ploeterende diertjes op de aardbol. We zijn vooral gemeenschapsdiertjes die in onderlinge afhankelijkheid en met een tamelijke kortetermijnvisie de aardbol bewonen. Superrijk of niet.